Geschiedenis van de spoorwegen

Königlich Preuβische Eisenbahn Verwaltung
Lijn58

1847 – 1920

De Preuβische Staatseisenbahnen ofte Pruisische Staatsspoorwegen was de benaming van de staatsspoorwegbedrijven van Pruisen van 1847 tot 1920 .

Geschiedenis
De Pruisische staatsspoorwegen, die tot 1896 de Königlich Preuβische Staatseisenbahnen, daarna de Preuβisch-Hessische Eisenbahngemeinschaft en ten slotte de Preuβische Staatsbahn genaamd waren , was geen bedrijf op zich, maar een overkoepelende benaming voor de verschillende zelfstandige spoorwegondernemingen die eerst KED of Königliche Eisenbahndirektionen genaamd werden. Later sprak men van de ED ofte Eisenbahndirektionen, welke in eerste instantie vielen onder het Pruisische ministerie van Handel en later onder het daarvan afgesplitste ministerie van Openbare Werken.
Men spreekt vandaag de dag ook wel van Königlich Preuβische Eisenbahn-Verwaltung, maar onder deze naam hebben de Pruisische staatsspoorwegen nooit gewerkt en deze naam komt in officiële documenten ook niet voor. Paradoxaal genoeg reden er destijds in Pruisen wel rijtuigen rond met wapenschildjes, die de afkorting KPEV droegen.
Desondanks hun bescheiden begin zouden de Königlich Preuβische Staatseisenbahnen toch uitgroeien tot het schoolvoorbeeld van een goed georganiseerde staatsspoorweg.
In tegenstelling tot andere staten binnen het Duitse rijk liet Pruisen de aanleg van spoorwegen vooral aan particulieren over, waarbij de staat voorzag in de wetgeving die de aanleg van spoorwegen stimuleerde, waarmee de staat de spoorwegbedrijven kon beïnvloeden en tevens de mogelijkheid kreeg om zelf de bedrijven over te nemen, maar in principe waren de afzonderlijke Eisenbahndirektionen zelfstandige ondernemingen. De staat kon zo zijn beperkte financiële middelen voor andere doelen aanwenden en het Pruisische spoorwegnet groeide sneller dan dat van andere Duitse staten wat deze politiek succesvol maakte. Tegen het einde van de 19e eeuw werden deze zelfstandige spoorwegondernemingen dan toch eigendom van de staat.

De staat zorgde evenwel voor spoorwegaanleg daar waar door particulier initiatief geen spoorwegen tot stand kwamen.

Dit waren de volgende trajecten:
– de “Saarbrücker Bahn”, een 32 kilometer lange verbinding tussen het spoorwegnet van de Palts en het net van de Franse staatsspoorwegen. (1850-1852)
– de “Ostbahn”, een 467 kilometer lange verbinding die het Pruisische spoorwegnet verbond met de Russische grens ten zuidoosten van Koningsbergen (1851-1857)
– de “Westfälischen Bahn” Hamm – Lippstadt (1850)

Particuliere spoorwegbedrijven die in moeilijkheden gekomen waren, werden door de staat overgenomen:

Dit waren de volgende trajecten:
– de Köln-Minden-Thüringer Verbindungsbahn (1849)
– de Niederschlesisch-Märkische Eisenbahn-Gesellschaft (1852)
– de Münster-Hammer Eisenbahn-Gesellschaft (1855)

De Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog van 1866.
In 1866 kwam het Koninkrijk Pruisen in conflict met Oostenrijk, hetgeen resulteerde in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog. Deze oorlog zou voor de spoorwegonderneming een belangrijk keerpunt betekenen. Omdat de spoorwegen hun strategische betekenis bewezen hadden kon Pruisen de oorlog winnen doordat het per spoor zijn troepen veel sneller kon verplaatsen dan dat hun tegenstander Oostenrijk verwacht had. De oorlog leverde tevens gebiedsuitbreiding op, want Pruisen annexeerde Sleeswijk-Holstein, Hannover, Hessen-Kassel, Nassau en Frankfurt. De staatsspoorwegen van deze landen werden in de structuur van de Eisenbahndirektionen ondergebracht, iets wat de Preuβische Staatseisenbahnen meteen een net uitbreiding van 1069 kilometer opleverde.

Het grootste staatsspoorwegbedrijf ter wereld
Aangezien de belangstelling van particuliere beleggers voor de spoorwegen afnamen door de vele faillissementen, begon de Pruisische staat vanaf 1877 op grote schaal particuliere spoorwegbedrijven over te nemen. Vanwege het militaire belang was bij de staat de belangstelling voor spoorwegen sterk toegenomen en men verwachtte door staatsexploitatie beter in de militaire behoeften te kunnen voorzien. Hierdoor groeide het netwerk van de Pruisische staatsspoorwegen uit tot een lengte van 23.000 kilometer in 1890 en werd het spoorwegbedrijf   na exploitatie overname van de spoorwegen in het Groothertogdom Hessen van de Preuβisch-Hessische Eisenbahngemeinschaft, vanaf 1 april 1897 het grootste staatsspoorwegbedrijf ter wereld. Na de Eerste Wereldoorlog sprak men van de Preuβische Staatsbahn.
In 1920 gingen de Pruisische staatsspoorwegen, samen met de spoorwegbedrijven van de andere Duitse deelstaten en staten op in de Deutsche Reichsbahn.

Netwerk
Het netwerk van de Pruisische spoorwegen was vooral in oost-west richting georiënteerd. Het centrum van het netwerk was de Pruisische hoofdstad Berlijn. Vanuit verschillende Berlijnse kopstations vertrokken treinen naar alle delen van het rijk. In 1877 werden de verschillende spoorlijnen rond Berlijn middels een ringspoorlijn met elkaar verbonden en in 1882 werd de Berlijnse Stadtbahn gebouwd, dwars door Berlijn heen.

De Belangrijkste spoorlijnen voor het langs afstandsverkeer waren:
– de Preuβische Ostbahn naar de Russische grens
– de Lehrter Bahn naar Lehrte bij Hannover, hiervandaan kon het Ruhrgebied worden bereikt
– de spoorlijn naar de kolengebieden in Silezië
– de spoorlijn naar Hamburg

Bron : Wikiwand – verbeterde en bijgewerkte tekst.